Onzichtbare rondleiding in Kasteeltuin Amerongen
Door Lizette de Kruijf
Gedrieën stappen we de Orangerie binnen om ons te melden voor de rondleiding. Vanmiddag is er een, speciaal voor blinde en slechtziende bezoekers. We worden hartelijk verwelkomd en omdat we ruim op tijd zijn, wandelen we alvast een klein stukje de tuin in. We gaan op een mooi plekje op een bank zitten en genieten even van de rust. Tegen aanvangstijd lopen we terug naar de Orangerie. Daar ontmoeten we de rondleiders en medebezoekers. We worden opmerkzaam gemaakt op de luiken van het gebouw. Ik laat mijn hand er over gaan; het is een nogal robuust element dat destijds de in de orangerie opgeslagen citrusvruchten vast goed tegen ongewenste weersgesteldheden heeft beschermd.
Dan wandelen we de kasteeltuin in. Er wordt verteld over de buxushaag langs het pad. Met mijn hand voel ik aan de haag; die voelt strak in vorm, met vaste hand gesnoeid. Even later staat ons groepje stil bij een zo’n twee meter hoge als kunstwerk gesnoeide buxusboom. Eén van de rondleiders vertelt dat de boom als in een draai naar boven is gesnoeid. Ik voel en strijk inderdaad langs een brede baan die als een kurkentrekker omhoog draait. Wat een vakwerk! We horen dat verderop ook nog bolvormig gesnoeide buxus staan. Van onze rondleiders begrijpen we dat al deze buxus door toegewijde werknemers en vrijwilligers zijn gered van de plaag die enige tijd geleden veel buxus in ons land heeft doen sneuvelen. In andere kasteeltuinen moest deze soort worden gerooid, maar hier staan ze als statige overlevers, naar oorspronkelijk ontwerp gesnoeid.
In de 17e eeuw gaf Margaretha Turnor opdracht om alhier op de fundamenten van het door de Fransen afgebrande oorspronkelijke kasteel een nieuw bastion te bouwen. Ook de kasteeltuin werd aangelegd en in de loop der tijd af en toe herzien, waarbij vanaf het eind van de 19e eeuw tuinarchitect Hugo Poortman in opdracht van graaf Van Aldenburg Bentinck hier de hand in had. In recenter tijden konden door bestudering van oude foto’s van de tuin, verschillende onderdelen in de oorspronkelijke staat uit deze vervlogen tijden worden teruggebracht.
We passeren een grote Rododendron. Ik voel de dikke veelbelovende knoppen. We leren dat deze vaak in kasteeltuinen werden geplant omdat ze mogelijk brandwerend werken. We staan even stil bij een wonderlijke oriëntaalse Judasboom. Ik voel de paarse bloesem zelfs op de oude takken en de stam. Een bijzondere gewaarwording; alsof de bloemetjes op de verkeerde plek zijn gezet. In perken verderop bloeien paarse tulpen, in de bekende tulp-vorm, maar ook met voelbaar puntvormige kelkbladen. In de gele tuin hebben de narcissen vroeg gebloeid en laten nu de gele sleutelbloemen zich zien. Zachtjes voel ik aan de tere bloemblaadjes. We wandelen ook langs verschillende rosaria, maar die staan in deze tijd nog niet in bloei.
Veelbelovend en wellicht een reden tot terugkeer hier in mei/ juni, of tijdens de tweede bloei in augustus…. Dan naderen we een geleide appelboom die kandelaarvormig is gegroeid. Gebukt loop ik met mijn medewandelaar mee om bij de scheve, drievuldige stam te komen. Ik voel dat de takken wijd uiteen lopen. Het fruit kon door deze geleiding door de jaren heen gemakkelijk van de niet al te hoge takken worden geoogst. Bij de zuidmuur is nog meer laaghangend fruit in spe te vinden. Daar staat een rij bloeiende overstap appelbomen van nu zo’n 80 cm hoog. Achter deze lage bomenrij staan geleide perenbomen tegen de zuidmuur aan. Deze peren worden als het ware voorgetrokken op hun vrij staande soortgenoten, doordat ze in de beschutting en de doorgegeven zonnewarmte van de zuidmuur staan. De warmte straalt van de muur af op de peren die daar direct tegenaan groeien, waardoor ze eerder rijp zijn. Een van de rondleiders vertelt dat onder deze omstandigheden ook exotischer vruchten zoals perziken kunnen groeien. We denken aan de perziken die we eens opmerkten, groeiend tegen een (waarschijnlijk dan ook: zuid-) muur in de tuin van slot Zuilen.
Dan ruik ik opeens een heerlijke bloesemgeur. We lopen met een van de rondleiders in de richting van de steeds sterker wordende geur. Het blijkt de bloesem van de Laurierkers te zijn. Ik voel een langwerpig stevig blad met een zo’n 10 cm omhoog torende zoet geurende bloesemkolom. Wat kunnen bloesemgeuren toch overweldigend heerlijk zijn… Dat dit niet altijd zo is, bewijst de bloesem van de even verderop staande perenboom. Ik steek mijn neus er in, maar ruik iets dat in de buurt komt van mest. Onze jongste tuinbezoekster beschrijft het met de geur van champignons; voedsel dat ze vindt stinken en absoluut niet aan haar vork zal prikken.
Dan lopen we langs de kruidentuin. Er staan geurige kruiden als venkel die naar drop ruikt volgens onze jonge wandelaar en krulvormige peterselie waar volgens mij door iemand anders wat van wordt gesnoept. De kruidentuin is nu opgedeeld in vakken van zo’n 10 bij 10 meter. Deze indeling stamt uit 2015, toen dit het decor was van het tuinier-programma ‘Van Hollandse Bodem’. Verderop in de tuin komen we bij een laan met aan beide zijden beukenbomen die aan de bovenzijde in boogvorm naar elkaar toe zijn geleid. Eén van de rondleiders vertelt dat dit een ‘berceau’ is. Een laan voor de adellijke dames om buiten te kunnen wandelen zonder dat hun blanke huid door de zon zou worden gebruind. Deze berceau is zo’n 30 à 40 meter lang. Sommige van de oude bomen hebben in de loop der jaren het loodje gelegd, waarvoor loten van deze bomen opgekweekt worden zodat er weer nieuwe bomen aangeplant kunnen worden en de berceau blijft bestaan.
Dan komen we bij de gracht. Hierin worden regelmatig bevers gespot. Enerzijds een bijzonderheid in de natuur, anderzijds een bron van schade aan de oude vegetatie waarvoor ze hier hun best doen om die in stand te houden. Bomen worden op de door de bever karakteristieke wijze geveld en resten van de vegetatie drijven soms als schillen in de gracht. We lopen over de ophaalbrug en ik voel met mijn hand even aan de brede middelste paal van de brugconstructie. Dan wandelen we met de groep in de tuin tussen de buitenste en de binnenste gracht in. Op dit deel van het landgoed is een diversiteit aan bomen aangeplant, met bijvoorbeeld een hazelaar en een notenboom. Onder de bomen wijst één van de rondleiders ons op de Blue Bells, een soort hyacint. Dan worden we meegenomen naar de begraafplaats van de huisdieren van Elisabeth Bentinck. Deze voormalige bewoonster hield erg van dieren en gaf ze na hun dood een plekje in de tuin met een gedenksteen. Ik voel aan een van de stenen; het is het silhouet van een kat. Ook omwonenden wisten van de dierenliefde van Elisabeth en brachten destijds allerlei hulpbehoevende dieren naar het kasteel. Op een gegeven moment besloot zij een dierenasiel in de buurt op te richten, dat heden ten dage nog bestaat.
We wandelen verder door de tuin. Eén van de rondleiders vertelt dat aan onze rechterhand een eeuwenoude eik staat. Deze is waarschijnlijk zo’n 350 jaar oud en moet er al gestaan hebben ten tijde van Margaretha Turnor. Op deze fabelachtige plek staan ook twee oude, enorme, bloeiende Magnolia’s. De bloemen van de een zijn donkerroze en van de ander lichtroze van kleur. We mogen er even naartoe lopen en terwijl we dat doen klinkt tussen de diverse vogelgeluiden ook het opgewekte lachen van de groene specht. Met mijn handen omvat ik een van de bloemen van de lichtroze bloeiende tulpenboom. Wat een reuzebloemen; zo groot heb ik ze van dit soort nog niet eerder waargenomen. Er wordt een afgevallen bloemblad van de grond opgeraapt en bestudeerd. Ik mag het van de vindster ook even voelen: het is groot, sterk, glad en wat rubberachtig van structuur.
We zetten de wandeling voort, waarbij we af en toe langs een stuk van een oude lage muur met kleine kantelen lopen. De rondleiders vertellen dat er steeds een stukje van de muur wordt gerestaureerd. Het voegsel van vroegere restauraties is aan vervanging toe en er is naar voren gekomen dat de oorspronkelijke mortel die bij de bouw gebruikt is, beter past op het oude materiaal dan nieuwere soorten voegsel. Daarom wordt er nu weer gewerkt met deze oude samenstelling mortel. We lopen vlak langs de dubbele brug die over de tweede gracht ligt. Het benedenste brugdeel is van oorsprong de personeelsingang van het kasteel. Het bovenste brugdeel vormde de toegang voor de bewoners en hun adellijke gasten. Vanwege lekkage in het bovenste brugdeel is deze bovenop waterdicht ingepakt om te kunnen drogen alvorens de reparatiewerkzaamheden plaats kunnen vinden. Het kasteel wordt direct omsloten door een gracht, alsof het bouwwerk zo vanuit het water opgetrokken is.
Dan lopen we weer terug over de brug over de buitenste gracht en komen we op de plek waar we voorafgaand aan de rondleiding even van de rust hebben genoten. Er staat een deels cirkelvormige bank met daar achter een haag van geleide klimrozen. Voor de bank staat een oude taxus die is geleid en gesnoeid in de vorm van een tafel. Hier kon en kan nog steeds zo een dienblad op gezet worden. Echt een plek om onder het genot van een hapje en een drankje van de lentezon te genieten, of even weg te dromen in de rozengeur tijdens de bloeitijd. Na de tot tafel beknotte taxus komen we ook langs een taxus die zijn groeivrijheid heeft weten te rekken tot zo’n vijf meter hoogte.
Dan brengen de rondleiders ons bij het ‘kinderhuisje’. Dit is een huisje dat gebouwd is onder leiding van de adellijke kinderen Bentinck, om te leren hoe het is om te werken en mensen aan te sturen. Het is een compleet woninkje, met keuken en bovenverdieping waar de kinderen ook konden slapen. In het huisje met leuke kleine ruitjes, waar ik mijn hand even over laat gaan, mochten alleen kinderen komen. Bij wijze van uitzondering mocht de Duitse keizer Wilhelm hier tijdens zijn verblijf op het landgoed koffiedrinken. Hier kon hij even op adem komen tijdens zijn verwoede houthaksessies om zijn frustratie over zijn ballingschap te verdrijven. Hij verbleef hier anderhalf jaar totdat hij in Doorn terecht kon en zijn kapactiviteiten aldaar voortzette.
Na al deze belevenissen en wetenswaardigheden over de natuur en geschiedenis van deze kasteeltuin, wandelt onze delegatie terug naar het startpunt van de rondleiding. Waar het de hele wandeling lang heerlijk zonnig lenteweer is geweest, spatten op de laatste meters de eerste dikke druppen van een veelbelovende lenteregen op ons neer. Tot niemands ontevredenheid is de rondleiding iets uitgelopen en we mogen nog even de op dit tijdstip eigenlijk afgesloten orangerie in om droog af te ronden. Wat was dit een fijne rondleiding, door bevlogen rondleiders in een prachtige kasteeltuin! Dankbaar voor dat dit zo voor blinde en slechtziende bezoekers georganiseerd is vanuit kasteel Amerongen en voor de rondleiders die dit voor het eerst voor deze doelgroep op zich namen. Bij vertrek krijg ik nog de folder van de rozendagen mee. Een aantrekkelijke gedachte, om hier terug te komen wanneer al die rozen die hier groeien in bloei zullen staan en hun heerlijke rozengeur verspreiden…. We stappen naar buiten, de geur van de door de lenteregen opfrissende wereld tegemoet.
Amerongen, 11 april 2026, Lizette de Kruijf