de conservering van het stucplafond uit de Grote Zaal
Het prachtige plafond van de Grote Zaal was aan een conserverende behandeling toe. Er waren structurele gebreken die verholpen moesten worden en verkleuringen door eerdere gipsreparaties deden af aan het imposante uiterlijk. Ook was het stucwerk verdonkerd door vuil. Met speciale sponzen werd het plafond droog gereinigd. Op sommige plaatsen kwam de stuclaag los van de onderliggende grove pleister. Om de stuclaag weer aan de onderlaag te doen hechten, werden er per stucblaas twee kleine kanaaltjes van 3 mm diameter in het stuc geboord. Eén luchtkanaal en één injectiekanaal. Eerst spoelde men de kanalen door met alcohol en water. Vervolgens kon door het injectiekanaal een kalkcoulis geïnjecteerd worden. Kalkcoulis is een soort papje of saus van waterkalk en krijt. De 'saus' in de holte gaat een verbinding aan met de stuclaag en de pleisterlaag waardoor deze weer aan elkaar worden gehecht. Vaak worden de twee lagen met het bindmiddel als een sandwich stevig aangedrukt.
Een andere lijmmethode wordt gebruikt voor de afgebroken delen stuc. Om twee stucdelen weer aan elkaar te hechten, gebruikt men een lijm op basis van kaasstof . Kaasstof oftewel kalkcaseïnaat heeft een zeer sterke kleefkracht. Je kunt het kant-en-klaar kopen, maar ook zelf maken door magere melk met water te mengen. Met een injectiespuit worden de te lijmen delen ingespoten met caseïne en daarna onder lichte druk gefixeerd. Voorlopig zullen de rakende delen weer goed aan elkaar kleven.
Barsten in het stucwerk werden naadloos opgevuld met kalkmortel. Voor smalle barsten gebruikte men als vulmiddel krijt, voor bredere barsten zand. Ook gaten en lacunes in het stuc werden met kalkmortel opgevuld. De korrelgrootte en kleur werd per barst bepaald. De restaurator heeft er bewust voor gekozen om ontbrekende delen van de ornamenten niet bij te maken. Losse stukken zijn wel aangeplakt, maar wat weg is, laat men ook weg. Gelukkig gaat het niet om veel ontbrekende delen. Er is een scherp oog voor nodig om deze mankementen meteen te bespeuren
Hoe de barsten precies zijn ontstaan is zo op het eerste oog
niet altijd even duidelijk. Soms komt het door krimp van het stuc
tijdens het uitharden, soms door lekkage, door trillingen of boren.
Het gebruik van metaal in het stucwerk geeft soms ook
barstproblemen. Hier in de Grote Zaal zijn de smeedijzeren nagels
die voor versteviging moesten zorgen, gaan roesten en hebben
daardoor voor schade gezorgd. De roest is deels van het ijzer
verwijderd, maar ter preventie worden de nagels met een
corrosie-omzettende chemische stof ingesmeerd en vervolgens
voorzien van een laagje kunsthars. De nagels zullen nu minder snel
gaan roesten, maar mocht het toch voorkomen dan worden ze op deze
manier geïsoleerd van het stuc.
Wat gebeurde er na het opvullen van alle barsten en scheuren? Het originele stucwerk heeft een andere kleur dan de latere herstellingen. Dat kon men zo niet laten en daarom zijn de beschadigingen geretoucheerd. Oorspronkelijk moet het plafond gebroken wit van kleur zijn geweest. Architect Pierre Cuypers heeft het eind 19e eeuw echter lichtgrijs laten schilderen. De aanvullingen van Delmotte zijn daarom met een lijmverf in de lichtgrijze kleur overschilderd. Lijmverf of gouache is een 'reversibele' verf. Dat wil zeggen dat de retouche kan worden weggehaald zonder de onderlaag te beschadigen. Gouacheverf is in water oplosbaar. Kalk versteend en is daarom niet zo gevoelig voor water als de verf, het stuc zal niet oplossen in water. Men had ook de kalkmortel kunnen kleuren zodat retoucheren niet nodig was geweest, maar dan was de ingreep niet meer ongedaan te maken.